Waarom circuit training?
Voor (jonge) kinderen is het beter en plezieriger om een aantal voetbalvormen
te herhalen. Daarnaast helpt het de (beginnende) trainer om een overzichtelijke
organisatie neer te zetten. Een goede training begint bij een goede
organisatie! Het circuitmodel is hier een uitstekend hulpmiddel voor. De jeugd
van tegenwoordig voetbalt, door de vele alternatieven zoals internet en
videospelletjes, steeds minder. Daarom is het van belang om een training met
zoveel mogelijk voetbaleigenvormen te geven, waarbij de spelertjes zoveel
mogelijk met de bal bezig zijn en zo min mogelijk stil staan. Het circuitmodel
is hiervoor bij uitstek geschikt.
Voor wie is het circuitmodel bedoeld?
Het circuitmodel is metname bedoelt voor trainers van de jongste jeugd. In
principe wordt het gebruikt voor de F-pupillen en jonger. Het kan ook nog heel
bruikbaar zijn voor E-pupillen of zelfs D-pupillen welke op een lager niveau
acteren.
Hoe werkt het circuitmodel?
Een trainer die het circuitmodel hanteert zet voorafgaande aan de training
meerdere trainingsvormen (in deze uitleg hanteren we 3 vormen; een mikvorm, een
pingelvorm en een afwerkvorm) uit. Na de warming-up (een (tik)spel met (!) de
bal) deelt de trainer de groep in drieën en loopt met de hele groep naar de
eerste vorm. Daar geeft hij uitleg en laat hij de eerste groep starten. Wanneer
deze aan de gang zijn gaat hij met de rest van de groep naar organisatie 2 en
zet hij deze groep aan het trainen. Tot slot neemt hij de derde groep mee naar
de 3e organisatie en zet deze ook aan de gang. Gedurende de trainingsvorm (10
tot maximaal 15 minuten bij F-pupillen) loopt de trainer langs de 3
organisaties en plaatst zijn of haar coachopmerkingen. Wanneer de tijd is
verstreken neemt hij groep 1 mee naar organisatie 2 en legt de vorm uit. Groep
2 dient dan nog als voorbeeld. Wanneer groep 1 het begrijpt, kan deze starten
en neemt de trainer groep 2 mee naar organisatie 3. De trainer geeft zijn
uitleg en de groep kijkt naar groep 3 die nog bezig is met de vorm. Als de
bedoeling helder is, neemt de trainer groep 3 mee naar organisatie 1 en zet
deze aan het trainen. De bedoeling is als het goed is al duidelijk, omdat groep
3 van alle vormen al uitleg heeft gehad. Op deze manier draai je als trainer
dus telkens door.
Hoe wordt het ciruitmodel opgebouwd?
Als we het circuitmodel op het veld willen uitzetten, zijn er een aantal dingen
die we in ogenschouw nemen.
1) Gebruik zoveel mogelijk de lijnen van het voetbalveld. De spelers gebruiken
ze ook tijdens wedstrijden, dus zijn ze herkenbaar. Tevens is het duidelijk
voor de spelers wat de afbakening is.
2) Als we het circuitmodel uitzetten, hoeven we gedurende training praktisch
niks te wijzigen aan de organisatie. Men hoeft slechts pilonnen/hoedjes weg te
nemen, zodat de eindvorm (de partijvorm) te laten staan (hoe dit precies
gebeurt verduidelijken we zo aan de hand van een illustratie).
3) Houd met de afmetingen van het veld rekening met de doelgroep. Een F-pupil
speelt immers op zaterdag ook niet voor niets op een kleiner veld dan een
D-pupil.
Nu we weten waar we rekening mee moeten houden, is het van belang hoe we het
precies gaan opzetten. De eerste keer zal het (zeker voor de beginnende
trainer) wat onwennig zijn om het gelijk goed uit te zetten. Schroom niet om
hiervoor even de tijd te nemen. Het rendement van een goede organisatie en een
goed uitgezet circuitmodel is zeker de moeite waard!
Nu de vraag waar het omdraait: Hoe zet ik als trainer dan een circuitmodel neer?
De vraag is afhankelijk van meerdere factoren. We zullen echter de meest
waarschijnlijke oplossingen proberen aan te dragen. Echter is er een factor
waar we geen rekening mee kunnen houden. Dat is namelijk de hoeveelheid
trainingsruimte die u ter beschikking heeft bij uw voetbalvereniging. Daarom
geven we u twee alternatieven.
1) Alternatief 1: Een half trainingsveld
Heeft u een half traingsveld ter beschikking kan u het circuitmodel als volgt
wegzetten:

U zet 3 voetbalvormen uit (bijvoorbeeld: een mikvorm, een afwerkvorm, een
pingelvorm) en een eindvorm (een partijvorm). Nadat elke groep de 3 vormen
heeft doorlopen, sluiten we de training af met een partijvorm. Alle spelers
doen tegelijk mee in deze vorm en spelen een partij. Hoe vaak horen we immers
van de spelertjes "Trainer, wanneer gaan we nou partijen?". Met het
circuitmodel werken we gericht aan de techniek van de spelers en sluiten we af
met de bekende partijvorm. Zo trainen we gericht in een plezierige setting.
2) Alternatief 2: Een kwart trainingsveld

De uitvoering van het circuitmodel verschilt niet met de vorm op een half veld.
Er is echter wellicht iets dat u opvalt. De partijvorm ontbreekt. Door
ruimtegebrek kunnen we deze niet apart uitzetten. Wel ziet u 4 oranje stippen.
Dit zijn de (extra) pilonnen/hoedjes die u als trainer vooraf uitzet voor de
partijvorm. Op deze manier hoeft u enkel de pilonnen/hoedjes van de andere
vormen weg te halen. De partijvorm blijft dan automatisch staan en hoeft u niet
apart nog eens uit te zetten. Dit bespaart u een hoop tijd en extra werk. Na
het weghalen van de voetbalvormen ziet de organisatie er als volgt uit:

U kunt nu de partijvorm spelen, zonder dat u vertraging had doordat u deze vorm
eerst nog moest uitzetten en na moest denken over de afmetingen. Dit voorwerk
is immers gedaan.
Alternatieven
Afhankelijk van de grootte van de groep kan de uiteindelijke partijvorm ook in
twee groepen worden opgedeeld. Daarnaast kunt u meerdere vormen uitzetten
(afhankelijk van de ruimte en de groep) om te rouleren. Zorg echter wel dat het
leeraspect gewaarborgd blijft. Met 5 verschillende onderdelen welke elk 5
minuten gespeeld worden, hebben natuurlijk lang niet zoveel rendement als 3
vormen 10 minuten. Je bent immers net goed op weg en moet dan alweer stoppen.
Begeleiding
Met het leeraspect komen we bij het laatste puntje: Begeleiding. Hoe begeleidt u
als trainer op een verantwoorde wijze deze training? U kunt zichzelf enkele
vragen stellen om hier achter te komen.
Allereerst: Loopt het?
Als trainer vraagt u zich af of de training daad werkelijk "loopt" of deze
opgang is. Snappen de spelers de spelbedoeling? Zijn de regels duidelijk? U
kunt de spelers de gelegenheid geven om hier achter te komen. Blijkt echter dat
dit naar van loop van tijd niet lukt, dan geeft u aanwijzingen hoe de vorm
daadwerkelijk kan gaan lopen.
Ten tweede: Lukt het?
De regels zijn duidelijk (dat heeft u immers getoetst), maar lukt het de speler
om de vorm goed uit te voeren? Als u een afrondvorm neer heeft gezet, lukt het
de speler dan daadwerkelijk om te scoren? Lukt dit na enkele herhalingen nog
steeds niet, dan moet u de organisatie aanpassen. U kunt bijvoorbeeld de
afstand tot de goal verkleinen, het veld groter maken zodat er meer ruimte,
etc..
De derde vraag die u uzelf stelt is: Leert het?
Als de regels bekend zijn en de bedoeling van het spel wordt uitgevoerd, is het
de vraag of ze verbeteren. Leren ze in de partijvorm beter vrij te lopen of
gaan ze vaker scoren? De vorm moet dus voldoen dat de betere voetballer nog
steeds wat blijft leren en de situatie uitdagend blijft. De wat mindere
voetballer moet natuurlijk ook uitgedaagd worden om zich te verbeteren. Hier
moet u zichzelf in trainen en zoeken naar hoe u de uitdaging en beleving zo
groot mogelijk kunt houden.